De Meule

SCHIJNDEL - In het jaar dat molen 'De Pegstukken' honderd jaar bestond, ben ik geboren aan de Stationsstraat in Schijndel. Vandaaruit zag je de molen boven de daken uitsteken. Enkele jaren later verhuisden we naar de Wijbosscheweg en kwam ik zodoende vlakbij De Meule te wonen. Ik moet toen een jaar of vijf/zes geweest zijn. Langzaam maar zeker werd De Meule het centrum van onze jeugdige activiteiten.

Voor opgroeiende jongetjes is een molen natuurlijk een droom. De naam 'De Pegstukken' kan ik me van die tijd niet meer herinneren: voor ons was het 'De Meule'. Met de eigenaars, de familie De Backer waren wij, als gezin, bevriend. Jan en Nellie de Backer en hun kinderen Marij en Frans.

Heel wat uurtjes brachten we bij en met elkaar door. Van ons vriendenclubje herinner ik me verder de namen van Jan Merks, Peter v.d. Brand, Harrie van Oirschot, en natuurlijk Maarten van Oorschot, de zoon van Dorus, waarbij ik me ook nog dierbare uurtjes in zijn atelier herinner. Dat stond toen ook niet ver van De Meule.

Maar op 'De Meule' bracht ik de meeste tijd door. Ik was toen al gebiologeerd door de techniek die in dat markante bouwwerk schuilging. Ik leerde 'De Meule' door-en-door kennen. Jan de Backer bracht mij, ondanks mijn jeugdige leeftijd, de kneepjes van het molenaarsvak bij. De zakken met graan werden door boeren met paard en kar helemaal naar binnen in 'De Meule' gereden. Daarna werden de zakken aan een touw omhoog getakeld naar de steenzolder. Als de wieken draaiden, kon je daarbij gebruik maken van de windkracht. De zakken moesten door twee verdiepingsvloeren heen. Elke vloer was voorzien van twee halve luiken die van onderaf door de passerende zakken werden opengeduwd om daarna vanzelf weer met een luide klap dicht te vallen. Op de steenzolder belandden de zakken op een platform, de hijsstrop werd losgekoppeld en de inhoud werd in een soort houten trechter gestort. Het graan verdween vandaaruit beetje bij beetje in een opening in het midden van de bovenste, draaiende steen om vervolgens tussen de twee molenstenen vermalen te worden.

Ik herinner me nog de geur die op de steenzolder hing. Die was niet alleen afkomstig van het graan en de juten zakken, maar ook van de twee molenstenen zelf: dezelfde geur die ontstaat wanneer je twee kiezelstenen tegen elkaar ketst. De afstand tussen de twee stenen was, ondanks hun gewicht, heel gemakkelijk te regelen. Hoe groter de afstand, des te grover het maalsel. Meestal was dit grof omdat het als veevoer diende. Soms werd er wel eens voor bakkers gemalen. Dan moesten de stenen wat dichter naar elkaar toe waardoor je heel fijn meel (bloem) kreeg. Het meel verdween door een opening naar de lager gelegen meelzolder waar het via een glijbaan weer in de juten zakken terechtkwam. Af en toe nam je een handjevol meel van die glijbaan om de grofheid te controleren. Het was verwonderlijk hoe eenvoudig je die kon aanpassen door simpelweg aan een touwtje te trekken waarmee je de afstand tussen de stenen nauwkeurig kon regelen. Aan het einde van de glijbaan verdween het meel in de zak die daar was opgehangen. Die zak werd opengehouden door middel van een touwtje dat vanaf het plafond kwam. Aan het uiteinde van het touwtje zat een scherpe haak die je in de voorste bovenrand van de zak moest haken. Het touwtje ging richting plafond waar het over een katrolletje liep. Aan het andere uiteinde bungelde een zware granaatscherf die het touwtje mooi strak hield waardoor de zak open bleef staan.

In de zomervakantie was het grote schoonmaak. De steenzolder werd voor een groot deel ontmanteld, waarna de bovenste, draaiende molensteen werd opgetakeld en gekanteld, zodat de spiraalvormige groeven bovenop kwamen te liggen. Er waren vernuftige hulpmiddelen in 'De Meule' aangebracht waardoor het takelen en kantelen van zo’n loodzware steen gemakkelijk te doen was. Vervolgens werd de molensteen 'gescherpt' door middel van een speciale hamer. Met deze hamer werden de groeven weer opnieuw uitgediept en van een scherpe rand voorzien. Urenlang zat ik samen met Jan de Backer voorovergebogen op de steen, heel secuur en met veel geduld dit werk uit te voeren. Als bescherming voor je knieën gebruikte je een kussentje gevuld met (hoe kan het ook anders) graan. Om je werk te controleren maakte je gebruik van een houten balkje. Dat smeerde je aan één kant in met oranje loodmenie. Als je vervolgens dat balkje met de geverfde kant over de steen haalde, dan kon je aan de achtergebleven verf zien of er nog oneffenheden zaten die moesten worden bijgewerkt.
En als er twee maalwerken in een molen zaten, moesten er dus vier stenen gescherpt worden: twee liggende en twee draaiende.
Als deze en alle andere klussen geklaard waren, werd alles weer in elkaar gezet en begon de grote schoonmaak: dagen aan ‘n stuk vegen en stoffen, spinnenwebben, duivenpoep en muizenkeutels opruimen.
Tot slot werd de hele binnenzijde van 'De Meule' 'gewit'.

Na de vakantie kon er weer gemalen worden. We zetten de wieken naar de wind en rolden zonodig de zeilen weer uit op de wieken als er te weinig wind was. Het mooiste moment was, als de wieken op hun hoogste snelheid draaiden. Dan zinderde, trilde en ronkte de hele molen. Op de steenzolder denderden de molenstenen met oorverdovend lawaai over elkaar heen. De wieken kwamen dan razend voorbij de openstaande deuren gezoefd. We werden er stil van en hielden scherp in de gaten of we de rem moesten gebruiken. Als er te weinig wind stond konden we de elektrische aandrijving gebruiken. Soms bracht ik wel eens zakken met veevoer naar de boeren, op een vrachtfiets, wiebelend en slingerend, want daar was ik eigenlijk nog veel te klein voor. Ik kon maar één zak aan, maar Jan de Backer nam er drie tegelijk mee. Hij was dan ook molenaar.

Tussen de bedrijven door speelden we ook nog volop met ons vriendenclubje in en rond 'De Meule'. De molenberg was natuurlijk zeer interessant. Het was ook van groot belang dat jij het hoogste in de stilstaande wieken durfde te klimmen. 
De bovenste verdieping van 'De Meule' bereikte je van binnenuit via een merkwaardig trapje: een wiebelig verticaal balkje dat alleen aan de bovenkant vastzat en aan de onderkant een eindje los van de vloer zweefde zodat het met de draaibare bovenkant van de molen mee kon bewegen. Dwarslatjes op dat balkje dienden als treden. Een beetje eng was het eigenlijk wel, maar als beloning kon je van een schitterend uitzicht genieten door de talrijke kijkgaten die in de hele omtrek van de bovenste verdieping aanwezig waren. En, zeker zo belangrijk, je kon van daaruit de vijand goed zien aankomen.

Nu nog verbaast het mij bij elk bezoek aan 'De Meule' telkens weer opnieuw, wat voor ‘n uitzonderlijke brok techniek er in dit bouwwerk schuilt. Techniek die al 150 jaar oud is, maar nog steeds perfect werkt.

Zo kan ik nog heel lang doorgaan met mijn herinneringen aan De Meule. Ik draag hem dan ook nog steeds een warm hart toe.
Ik vind het ook knap hoe Reinier Pijnenburg en zijn broeders-in-het-vak Aad Dekker en Ad Vermeltfoort daar een groot deel van hun vrije tijd aan opofferen.

Ik kan iedereen, jong en oud, aanraden om op een zaterdag de draaiende Meule De Pegstukken te gaan bewonderen.
Het wachten is momenteel op een nieuwe wiek, of eigenlijk twee, moet ik zeggen. Het vervangen daarvan is op zich al een spektakelstuk dat ik niet graag zou willen missen.

 

 

 

 

Terug naar het overzicht

Copyright © DeMooiKrant.nl