Curzio Malaparte - Oorlogsveteranen

Morgen herdenken we degenen die sneuvelden in de strijd om onze vrijheid en overmorgen vieren we die vrijheid. Dat men echter niet altijd even dankbaar is tegenover de bevechters van de vrijheid, toont volgend ontstellend verhaal van vlak na de Grote Oorlog. De Italiaanse schrijver Curzio Malaparte vertelt het in zijn ‘Dagboek van een vreemdeling in Parijs’ (2014), waarvan onlangs een tweede druk is verschenen. Hij vangt dit dagboek aan op 30 juni 1947: “Eindelijk keer ik terug naar Parijs na veertien jaar ballingschap in Italië. Die veertien jaar waren de droevigste, gevaarlijkste van mijn leven. In 1933 verliet ik Parijs, ik ging terug naar Italië, werd er gearresteerd, maandenlang opgesloten, vervolgens tot vijf jaar deportatie naar het eiland Lipari veroordeeld.” Oorzaak van dit ballingschap, later omgezet in huisarrest op Capri, was zijn belediging van minister Balbo. Malaparte (1898 - 1957) voelt zich nu in Parijs eindelijk vrij en onbedreigd. Met minachting schrijft hij over het fascistische Italië van Mussolini: “Het is een land van mensen die altijd, dag en nacht, blootgesteld zijn aan mogelijk geweld van de politie, van verklikkers.”

Als jongeman van twintig was Malaparte al in Parijs. Als hij zich een gebeurtenis herinnert, waarvan hij toen getuige was, knijpt zijn hart samen. Die gebeurtenis speelde zich af op 1 mei 1919 - sinds een half jaar was er vrede - op de Place de la Concorde, waar een grote protestbijeenkomst werd georganiseerd vanwege de moeilijke levensomstandigheden van na de oorlog. Wat hij daar zag, beschrijft Malaparte aldus: “Van alle kanten in de enorme stad kwamen rijen en rijen mannen, nog in horizonblauw uniform, duizenden gewonden die ondersteund werden door hun kameraden, en enorme groepen oud-strijders, allemaal in modderige, verschoten uniformen, verkreukeld van de loopgraven.”
Hij bewondert de moed waarmee de veteranen in de Grote Oorlog hebben gevochten: “Het waren de soldaten die hadden gewonnen in Soissons, Reims, aan de Marne, die weerstand hadden geboden in Verdun. Het waren de beste soldaten ter wereld, de vasthoudenste, de hardste, de moedigste. Ze zongen hun strijdliederen en de deuntjes van de loopgraven. De gewonden op een kluitje onder aan Hotel Crillon zwaaiden met hun krukken, hun stokken. Het waren mijn strijdmakkers. Ik was trots op hen.”

Maar dan gaat het mis. Overal vandaan, vanuit de Tuilerieën, vanaf de Champs Elysées en elders, ziet hij aaneengesloten groepen agenten opduiken met gummiknuppels. Ze storten zich op de veteranen en knuppelen en schoppen ze uiteen. Malaparte: “Dat onmetelijke, onoverwinnelijke leger veteranen vluchtte, viel uiteen, op het plaveisel van het eindeloze plein bleven, somber en luguber, petten, krukken, vlaggen achter.” Verbijsterd staarde hij vanaf het terras van Hotel Crillon naar het snoeiharde optreden van de agenten. Hij noteert: “Achter een zuil hield ik ternauwernood mijn tranen in. Die dag voelde ik vagelijk dat mijn generatie de oorlog had verloren.”
Hoe in- en intriest moet het geweest zijn om te zien dat mannen die jarenlang hun leven voor Frankrijks en Europa’s vrijheid hadden ingezet een half jaar later als beesten van het plein werden geslagen…

Jan Geerts

Terug naar het overzicht

Copyright © DeMooiKrant.nl